suriname surinam lonely planet best in travel 2010 suriname surinam lonely planet best in travel 2010
In 2004 kwamen scheepstimmerman Rene Segerius en zijn vrouw Leonoor Wagenaar naar Suriname om een riviercruiseschip te bouwen; de 'Mi Gudu' (Mijn Schatje). Inmiddels is het schip klaar en te boeken voor allerlei trips. Een vast onderdeel van het vaarprogramma is de vijfdaagse tocht naar Nickerie. Hieronder het door Leonoor geschreven verslag van de eerste tocht binnendoor naar Nickerie.

Na 3,5 jaar bouwen, zwoegen en ploeteren gaan we het voorland van onze toekomstige gasten verkennen. De spanning was de laatste dagen om te snijden, Rene was op van de zenuwen en bleef maar herhalen wat er mis kon gaan. Voor de zekerheid was hij vrijdagmorgen al met de Mi Gudu door de sluis gegaan, want de ervaring heeft geleerd dat die sluis aan de Surinamerivier een onzekere factor blijft: dan weer is het koperdraad uit de elektrakabels gestolen, dan weer draait hij vroeger dan was gemeld. Op zondag 26 november 2006 gaan de touwen los voor de eerste echte expeditie met de Mi Gudu.
We varen met angst en beven, want de verkeersbrug van de Highway lijkt wel erg laag en het water in het kanaal staat wel erg hoog. Maar we glijden er met gemak onderdoor. Al snel wordt het heel landelijk, met verrassend veel aka's (broertjes van de valk). Papegaai Gapi krimpt in zijn reiskooitje van angst ineen, hij herkent moeiteloos zijn natuurlijke vijand. Mooi zijn ook de honderden kepanki's, kleine bruine watervolgeltjes met zulke grote voeten dat ze over de waterplanten kunnen wandelen. Als ze opvliegen tonen ze pas hun schat: metallic smaragdgroene veren aan de binnenkant van hun vleugels.
Voor de sluis bij Uitkijk. Na tien minuten komt de sluiswachter aanwandelen. Zo onbetrouwbaar als die bij de Surinamerivier functioneert, zo soepeltjes gaat het hier: onmiddelijk gaat de sluisdeur omhoog, vlak achter ons sluit de deur en als het water de hoogte van de rivier heeft bereikt mogen we er uit en kunnen verder, vrij van verdere obstakels, richting het lieflijke Groningen.
Nog anderhalf uur te gaan tot we bij de Coppenamerivier zijn, maar nu al wijken de oevers van de Saramacca steeds verder uiteen. Dan ligt de oceaan voor het grijpen, de bocht is in zicht, de hemel vlamt geeloranje tussen de wolken. In het water zien we de massiefgrijze nevelmuur van een tropische bui, maar wij koesteren ons in het strijklicht. Wij naderen Boskamp aan de Coppenamerivier. In het water nog de tanende oranje gloed, in het oosten al de diepe schemering.
'Meneer Andre' komt aan boord, met zijn onafscheidelijke rode alpinopet. Hij is een gepensioneerde Indiaanse onderwijskracht van Corneliskondre en gaat ons helpen contacten te leggen. Hij komt uit het gebied dat we zullen doorkruisen en spreekt dus Karaibs. Met zijn hulp zullen we kennismaken met de kapiteins van de dorpen, want het is de bedoeling dat hun gidsen onze gasten in de toekomst in hun korjalen mee zullen nemen op de kreken. De dieptemeter geeft 20 meter aan.
De volgende dag is het sprookjesachtig wakker worden op het dampige water, dikke nevelflarden blijven in de vroege ochtendschemering boven de oppervlakte zweven, adembenemend mooi, zeker als je, bijna op ooghoogte door de patrijspoorten van de hut kijkt. We draaen de Wayambo op, een zijrivier van de Coppename, ongeveer 2 1/2 uur varen van Boskamp. De toeter schalt zijn rokerskuch over de rivier, zouden ze het in Corneliskondre al horen? De steiger van het dorp oogt gammel, dus laveren wij met de boegschroef op kousenvoetjes naar de ene meerpaal die er nog staat. Het dorp is ruim van opzet, met in het hart het voetbalveld, omzoomd door de school. de lerarenwoningen, de poli en de kerk. Alles is netjes aangeharkt en schoon; geen petfles te bekennen.
Meneer Andre stelt ons voor aan de kapitein Ron Janomo. Met een delegatie van vier zitten we tegenover hem in het gemeenschapshuis. De conversatie in Sranang gaat vooral over vervoersproblemen. Het is vrijwel onmogelijk voor de bewoners om de stad te bereiken; de postboot vaart maar eens in de maand, maar hoe komen ze dan weer thuis?
Zo'n 100 Cariben wonen er. Hun taal zijn ze niet meer machtig, men spreekt Sranang en Nederlands. Als Andre de kapitein uitlegt wat onze bedoelingen zijn, is hij meer dan geinteresseerd. Nu al pakken de bewoners oude, haast vergeten handnijverheidstechnieken op voor het maken van stenen kommetjes, van katoen geweven hangmatten, gevlochten manden en andere mogelijke souverniers. De kreek moet opgeschoond worden, maar in een groot deel van de omgeving mag niet meer gejaagd worden zodat de apen hun angst verloren hebben en nieuwsgierig tot vlak bij de korjalen durven te komen. ook de bospaden moeten weer opengekapt, want dan kan een gids de gasten meenemen voor een wandeling.
Ik begin te begrijpen waarom de Wayambo zo geroemd wordt: de rivier is smal, zodat je bijna onderdeel van de oever bent en overal doorkijkjes ziet; geen ondoordringbare groene muur, maar een toegankelijk, soms bijna transparant bos. Er staat weinig wind en Mi Gudu glijdt bijna geruisloos door het wateroppervlak, dat de oever als een speigel reflecteert. De zon schijnt en geeft al die groentinten nog een extra diepte, glanzende ijsvogeltjes en sierlijke zwaluwtjes scheren over het water, er worden zeekoeien gespot en luid klinkt het 'fwi fwijoeoe' van de pepeju. Zijn roep moet de andere bosbewoners waarschuwen voor onze komst. Hij wordt dan ook busi skowti, bospolitie, genoemd.
We naderen Knomerume Wa, wat is omgedoopt tot Donderskamp. De steiger is gammel, want onderhoud lijkt in dit land soms een vloek. Aan de rivierzijde staan een paar hutten, het dorp is naar binnen toe aangelegd in een eindeloze sliert lintbebouwing, veelal houten huisjes. De kapitein is er niet, maar de toekomstige kapitein komt belangstellend kennismaken en het schip bekijken. Na een korte dorpswandeling varen we verder, tot de sluis bij Venlo in zicht komt. Hij is onbemand en ligt er er een beetje mal bij, zo aan het geschoren grasveldje midden in het oerwoud. Wij zijn op het ergste voorbereid, maar hij functioneert prima. Eerst draaien we de buitenste deur dicht, dan gaat het spuigat aan onze kant open, en als het waterpeil aan beide zijden gelijk is en er geen druk meer op de deur staat wordt met de handlier onze kant opengedraaid.
Nu varen we over de Arawarrakreek, die zo mogelijk nog smaller is. Voor we in het gaten hebben dat we echt langzaam moeten varen om die scherpe bochten te nemen, hebben we toch twee keer de hulp van de boegschroef moeten inroepen om niet in de takken te belanden. In de namiddagzon varen we door een mysterieus sprookjesbos vol paars bloeiende struiken, een soort lila vingerhoedskruid, gele en reusachtige witte bloemkelken, overal vlinders in de schitterendste tinten, opvliegende reigers, een peinzende specht op een overhangende tak, de kopjes van kaaimannen net boven water, libelles, fladderende kolibries... De Arawarrekreek is al varend overgegaan in de Nickerierivier en wordt gelijk een stuk breder.
Waar de rivier een nauwelijks bevaren zijtak naar de Stondansi watervallen heeft, gaan we bij de waterdriepsrong voor anker.
De volgende dag wordt het anker opgehaald terwijl een lichte motregen het bos zijn kleur en diepte ontneemt. Toch blijft de variatie boeien, het is net als haardvuur, je kunt je ogen er niet van af houden. We zien een roestbruine babun die zich in de topen van de bomen uit de voeten maakt. De roerganger van de Mi Gudu is gewaarschuwd voor boomstammen die net onzichtbaar onder het wateroppervlak kunnen drijven en in het uiterste geval de schroef kunnen beschadigen.
Dan viert het anker weer naar de bodem bij Tapoeripa. Hoewel het dorp op de kaart staat aangegeven, blijken er maar een paar families te wonen. Er is geen steiger, maar een houten loopplank naar boven. We gaan met het bijbootje naar de kant en praten wat met de bewoners. We varen verder en ik blijf maar naar de oevers staren, elk stukje is weer anders. Het water staat laag en er komen een soort modderige kleistrandjes bloot te liggen, we zien zeekoeien als ze naar boven komen om adem te happen en met een zwaarmoedige klap van hun reuzenstaart weer naar de diepte verdwijnen. Nog even blijft de rivier schitterend, maar langzaamaan nemen grasland en padivelden het van het regenwoud over. We hebben 419 kilometer gevaren in 36 uur en de SMS steiger in Nieuw-Nickerie bereikt. De expeditie is een doorslaand succes!
Het meest westelijk gelegen district aan de Surinaamse kust is Nickerie, bekend om zijn eindeloze rijstvelden. Als je nog verder naar het westen zou gaan (en de rivier Corantijn over zou steken) kom je in Guyana terecht. De hoofdstad van Nickerie is Nieuw-Nickerie, de tweede stad van Suriname. Dat wil niet zeggen dat het een grote, drukke stad is. Maar vermaken zul je je zeker, al wandelend langs het kanaal, dat dichtgegroeid is met waterplanten en waarlangs grote, statige palmbomen staan. Ook de markt van Nieuw-Nickerie is de moeite meer dan waard. Aan de rand van Nieuw-Nickerie ligt de Zeedijk langs de Atlantische Oceaan. Op die plek is er weinig fantasie voor nodig om je weer even in Nederland te wanen. Ook de eindeloze, vlakke landbouwgebieden in Nickerie doen soms aan Nederland denken. Het geeft aan hoe divers Suriname is.
Kijk u rustig rond op onze website. Naast informatie over Kekemba Resort Paramaribo zelf, geven wij ook informatie over Paramaribo en Suriname op een informele manier.
In de tien districten
van Suriname is van alles te beleven. Lees hier meer over de districten van Nickerie tot Marowijne en van Paramaribo tot Sipaliwini.



mi gudu, rivier river cruise, Suriname

mi gudu, rivier river cruise, Suriname

mi gudu, rivier river cruise, Suriname
Home   |   Resort    |    Suriname    |    Prices    |    Contact Us    |    This page in English
Copyright © 2005-2009 Kekemba Resort Paramaribo | Privacy Policy | Terms of Use